4 Mei: het verhaal van de kolenpikkers

Posted on Jul 11, 2014

Armoede, honger en angst tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er was geen elektriciteit. Winters waren koud. Een kachel die brandde op kolen verwarmde het huis. Het verhaal van Henk Ohm en Jan Mos. Kolenpikkers uit Amsterdam Oost. Elke dag op pad. Op zoek naar kolen en eten.

De Rietlanden. Hier kwamen treinen vol met kolen aan. Elke dag ging Henk na school daarheen om kolen te pikken. Dat was gevaarlijk want je mocht daar niet komen, het was verboden terrein. Bij elke wagon stond een soldaat. Als de soldaten je zagen moest je niet wegrennen want dan schoten ze met hun geweer. Het maakte niet uit of je een kind was. De twaalfjarige Keesje is daar neergeschoten. “Wanneer je werd gepakt sloten ze je op in een wagon. Ik heb weleens gevangen gezeten met vijftig mensen tegen elkaar aan gedrukt.” In een hoekje deden ze hun behoefte. “Je moet toch plassen.” Toch ging hij elke avond op pad om kolen te zoeken. Één keer had Henk dubbel geluk. Een soldaat riep hem na en Henk kon een beetje Duits. Hij moest mee naar een wagon waar een paar vrouwen aan het koken waren. Kreeg hij zuurkool met worst! Daarna mocht hij zijn zakje met kolen pakken en naar huis gaan.

Mensen aten alles omdat er bijna niets was. Op straat zag je de hondenkoppen liggen. Een vriend van Henk ving musjes om op te eten. “Onze kat moest weg want dat scheelde weer eten. Later bleek het dier opgegeten te zijn door de nieuwe eigenaar.” Zijn moeder was woedend. “Wanneer het brood gesneden werd maakten we onze vinger nat en depten zo alle kruimels van tafel. Als je honger hebt doe je gekke dingen.”

Ook bij Jan thuis was niets te eten. Twee sneetjes brood en ’s avonds een kommetje soep. Niemand wist hoe lang de oorlog ging duren en daarom moesten ze zuinig aan doen.

Jan had altijd een zak voor kolen bij zich met een pannetje erin. “Misschien kreeg je wel ergens te eten en dan had ik dat pannetje bij me. Zo kon ik veel meer eten meenemen dan anderen die het in hun broekzakken stopten.”

Jan ging met zijn broertje ook kolen zoeken. Graven tussen de spoorrails. Zo kon je wat kooltjes eruit halen. Dat was best spannend. “Op het spoor werden we een keer beschoten. Ik duwde mijn broertje onder de wagon om hem in veiligheid te brengen. Daarna kroop ik er bij. Schoten. Wel drie keer. We kropen snel verder onder de wagons door, wegwezen daar.” Dat was de enige keer dat er op hem geschoten werd.

In de zomer van 1944 had Jan een baantje. Met een grote kist voorop zijn fiets bezorgde hij bloemen tot laat in de avond. “Soms kreeg ik als dank bonbons, die had ik jaren niet gezien! Ik wist niet meer hoe chocolade smaakte.” Van zijn verdiende geld kon zijn moeder weer een brood kopen. Door de oorlog is Jan zuinig en gooit hij niets weg. De kapjes van het brood, kliekjes, alles wordt opgemaakt.

Tekst: Marloes Fopma n.a.v interviews met Henk Ohm en Jan Mos.