De Koning van de Arabieren

Posted on Jul 9, 2014

Dit verhaal gaat over twee mannen; Robbie en Iwan en over heel veel paarden.

Door Bert Hana

Robbie werd in 1953 in Schellingwoude in Amsterdam-Noord geboren , als telg van een geslacht dat al vier generaties in paarden handelde. Zijn vaders opa, Robijn Pronk deed in 1870 al in paarden. Robbie heeft hem als kleine jongen nog meegemaakt. Mensen kochten in die tijd paarden als werkpaard, denk aan paarden voor de koets, voor de kar van de melkboer en de groenteman en als trekpaard in de landbouw. 

16537_537232693003880_538301433_nNa de oorlog zou de vader van Robbie, die van 1927 was, uitgezonden worden naar Nederlands Indië. Dat is toen niet door gegaan en hij begon met het bezoeken van markten in Duitsland, o.a. in de plaats Hamm. Daar kocht hij paarden en die haalde hij naar Nederland. In Duitsland waren ze goedkoper en misschien ook wel beter. In 1959 is hij naar de Sovjet Unie gegaan. Hij kwam daar via een contact  met een joodse kennis namelijk Norbert Leeuwendorf. Die had connecties  en zo kon hij daar beginnen.

Robbie begon met pony rijden toen hij vier was. Zijn vader verkocht iedere maandag morgen zijn pony. Daar had hij als knulletje veel moeite mee, maar iedere maandag middag was er weer een nieuwe. Hij leerde zo geen binding met de paarden te krijgen. Als je nu een paard van hem zou stelen, zou hij er geen seconde van wakker  liggen. Maar onlangs adopteerde hij wel een lelijk mager hondje uit Spanje. Nou, kom daar niet aan want hij doet je wat.

In de jaren zestig was er in de veemarkthallen iedere maandag een paardenmarkt. Zo’n tweehonderd paarden werden daar verkocht, iedere maandag weer. Die paarden werden gebracht door een gigantisch Russisch schip met elf ruimen. En er was maar één ruim waar paarden in stonden, ongeveer twee honderd. Ze werden geruild tegen Fries stamboekvee;  zwart-bonte koeien. Het was een ruiltransactie. Koeien waren meer waard dan paarden dus er gingen meer paarden heen, dan koeien terug. Op de Borneokade werden ze uitgeladen met behulp van een hijskraan en een kist, waar twee dieren tegelijk in konden. Toen al waren er stallen op de veemarkt. In die stallen konden vier á vijf honderd paarden staan, of koeien. Er was een stalbaas; Dirk Blanken, Rooie Dirk zoals hij genoemd werd. Er moest per paard per nacht betaald worden, dus eigenlijk was het een soort paardenhotel. Na twee jaar is Robbie sr. begonnen met zelf die paarden te kopen en niet meer te ruilen en de Russen kochten dat stamboekvee.

Robbie sr. vond na een tijdje een coaster, de Ubbergen, die met twee etages was omgebouwd voor paarden. Die werd  met een contract van 10 jaar gecharterd, compleet met bemanning, bestaande uit een kapitein(schipper), een stuurman, een kok en drie matrozen en twee man die de paarden verzorgden. Met deze boot konden de paarden zo de kant op lopen.

                                                              
De Borneo-kade was het meest dichtbij gelegen plek waar het schip kon afmeren. De paarden zaten allemaal in aparte boxjes en werden op de kade in vrachtwagens geladen.                                           

Bij de eerste vaart van de Ubbergen naar Rusland werd Robbie door zijn vader meegestuurd, hij was pas elf.

74677_537641629629653_2012593402_nZelf vertelt hij: “Ik had nog nooit zulke hoge golven gezien en werd verschrikkelijk zeeziek. Als je dan bij de Sovjet Unie voor de kust aankwam, bij   Klaipéda in Litouwen ongeveer tien km van het land af, zag je opeens grote zoeklichten van Sovjet schepen. En bij binnenkomst van de haven kreeg je bewapende bewakers bij het schip staan. Er stond een hele hoge muur om de kade heen want ze waren o, zo bang dat je zou weglopen. Ik kan me nog herinneren dat we van boord gingen en in zo’n zeemanskroeg in Klaipéda terecht kwamen.  ’s Nachts  zaten er honden bij de muur om te voorkomen dat je buiten het haventerrein zou belanden”.

Iwan kwam uit een arm boeren gezin. Hij ging niet naar school maar hielp z’n vader in de stallen, zo leerde hij al vroeg paardrijden. Op zijn zestiende ging hij voor de staat werken. In het Rusland van voor de Perestrojka had je Kolchozen, dat waren grote coöperatieve boerderijen met meer dan 200 paarden. Zo’n boerderij had de verplichting om iedere maand drie paarden te leveren. Iwan moest bij de boerderijen langs om de paarden op te halen. Hij voelde zich net een soort rattenvanger van Hamelen. De rij met opgehaalde paarden werd  langer en langer.

Boeren zagen hem niet graag komen. Hij bracht de paarden naar de havenplaats Klaipéda, waar ze ingescheept werden. Het liefst reed hij lange stukken alleen met de paarden. Hij vond het afstaan van de paarden altijd moeilijk. Zijn leven in de Sovjet Unie was zwaar. Hij had weinig te eten en verdiende amper wat met zijn baan als paardenjongen. Hij droomde ervan om mee te reizen met de paarden naar Nederland.

 Iwan vertelt: “Toen ik op een dag bij mijn eigen vader zijn laatste twee paarden moest meenemen knapte er iets in mij. Ik besloot mee te reizen met de paarden. Onze paarden zouden niet geslacht  en opgegeten worden door die gulzige Hollanders. Ik zou mee reizen en in Holland rijk worden en met onze twee paarden terug komen”.

Buiten de stad Klaipéda was een boerderij/verzamelplaats  waar de paarden klaargemaakt werden voor verscheping, iedere week 200.  Dat was de deal die Robbie sr. met de staat had in die tijd. Van die verzamelplaats naar de boot was 15 kilometer.  De paarden werden met kop en staart aan elkaar gebonden in groepen van 40, op het eerste paard zat een ruiter. Later gebeurde dat met vrachtwagentjes. In de haven was een stukje niemandsland wat streng bewaakt werd zodat niemand de Sovjet Unie in of uit kwam. Op torens zaten grote schijnwerpers waarmee de zee en het land om de haven goed in de gaten kon worden gehouden.

74718_537232723003877_1826136145_nII
Door de hoge muur waren de goederen het enige wat het land uitkwam. Iwan die bekend was met de gang van zaken, wist dat de paarden ook wel ‘s nacht geladen werden. Hij wachtte op een gelegenheid om zich tussen de paarden te kunnen verstoppen.                                                                                                                                 

Bij het ophalen had hij ze goed leren kennen en toen op een bepaald moment de staldeur werd geopend was hij aan de buik van een paard gaan hangen en zo, zonder op te vallen, mee het schip in geglipt. Daar verstopte hij zich tussen de  voorraad hooi onderin het ruim. Na een paar uur begon het schip te varen, de Oostzee op vanuit Klaipéda. Er waren flinke golven en Iwan werd behoorlijk zeeziek.  Op het schip werd drie keer per dag warm gegeten. Dus dat begon ‘s morgens met gebakken eieren met spek. Ik weet niet of je wel eens zeeziek bent geweest, maar als je de lucht van eten ruikt, dan moet je al overgeven. Voor Iwan  geen eieren met spek, hij moest het met minder doen en at wortelen uit de voorraad voor de paarden en dronk water.  

Bij Duitsland aangekomen ging het schip het Nord-Ostseekanaal in (in de wandelgangen ook wel het Kieler kanaal genoemd) dwars door Noord-Duitsland. Dat duurde ongeveer acht uur. Iwan had geen idee hoelang de reis zou zijn. Aan de andere kant aangekomen voer het schip via Brunsbüttelkoog de Noordzee op. Dan via de Waddeneilanden naar IJmuiden en door het Noordzeekanaal en over het IJ naar de Borneokade.

In Amsterdam aangekomen moest Iwan iets doen om Robbie en zijn mannen af te leiden. Zonder er bij na te denken zorgde hij ervoor dat een paard te water raakte. Terwijl de mannen alarm sloegen en de politie er bij gehaald werd om het paard te redden liep Iwan rustig de loopplank af, zo Amsterdam in.

Robbie vertelt: “Dat schip heeft 35 jaar zo gevaren. Na het lossen, iedere week, werden de paarden in twee dagen verkocht. Dan werd de stal schoongemaakt,  en gingen we zitten wachten tot het schip weer binnenkwam. 23 keer was dat op een zondagmiddag. Mijn vader had de zondagsrust hoog in het vaandel en als het dan weer eens raak was reed hij vloekend met zijn fiets over de dijk. Op een goed moment was hij het zo zat dat hij het schip twee dagen heeft laten wachten om er voor te zorgen dat hij niet meer op zondag zou komen. Maar na een storm kwam hij toch weer op een zondag. Wij woonde op de Schellingwouderdijk. Wij keken zo over de voetbalvelden op het IJ uit. We konden precies zien als het schip aan kwam varen. De kapitein wist waar we woonden, hij hing dan aan de fluit en dat was voor ons het teken dat we aan het werk moesten.

De paarden werden niet gezien van te voren, ze werden gekocht op contract.   Het waren jaarcontracten van dertig tot veertigduizend. Ze werden geclassificeerd in eerste, tweede en derde klas, al naar gelang de bevleesdheid.  Heel magere werden dus derde klas, middelmaatjes tweede klas en één die heel goed bevleesd was die werd eerste klas. De dieren werden per kilo en per klasse gekocht. Voordat ze aan boord gingen werden ze gewogen. Dus je kreeg een kilo prijs. Zo wist je wat de totale boot kostte aan paarden.     

III                                                                                                                                       
Hoe laat hij ook binnenkwam, of het nu 1 uur ‘s nacht of drie uur ‘s middags was, het schip werd meteen gelost. Na het lossen, vertrok het weer via IJmuiden naar zee en werd daar schoon gemaakt. De paardenpoep ging rechtstreeks overboord, dat kon nog in die tijd. Dan door naar Harlingen om 120 koeien te laden.

150082_123401871053633_1426681_nHet schip lossen was een sensatie op zich.  Wij kregen natuurlijk klanten die als eerste wilden weten wat de lading was, die gingen helpen met lossen. Je wist nooit wat er precies bij zat. De meeste paarden hadden vier benen maar er waren er ook met vijf of zes. Om te weten hoe oud ze waren keek je naar de tanden. Verder keken we of ze gezond waren en niet blind. Dan werd er gedraafd. Als ze kreupel waren of andere mankementen hadden gingen ze rechts af de stal in, dat betekende de slager en linksaf dan stond ze nog een leven te wachten. De verdeling was een beetje fiftyfifty.  

Ik heb toen ik zeventien was en mijn vader anderhalf jaar met een hernia kampte ongeveer  de hele zaak voor hem waargenomen. Alles werd in die tijd cash afgerekend. Ik reed dan met een slordige twee ton in m’n achterzak op m’n brommertje naar de Herengracht om het bij onze bank af te geven. 

Bij het lossen aan de Borneokade is er om één of andere duistere reden ooit een paard te water geraakt. Dat zwemt het IJ op. Wij met bootjes er achter aan. Ze kunnen behoorlijk hard zwemmen dus dat roeien viel niet mee.  Uiteindelijk hadden we hem in een hoek bij de Borneokade, daar loopt het dood. Bij het treintalud kreeg hij vaste grond onder de voeten en klom op het droge. De brandweer en de politie kwamen erbij en wij wilden hem pakken maar dat mocht niet van de brandweercommandant. Hij moest zogenaamd even tot rust komen, maar dat heeft die man geweten. Dat beest nam de kuierlatten het spoor op. Daar ging ie over de spoordijk, tussen Centraal en Muiderpoort mét treinverkeer. Toen heeft een hele avond het treinverkeer plat gelegen. Wij er achter aan om hem te pakken en de politie op hem schieten in de Indische buurt. Maar met die blaffertjes schiet je geen paard dood. Het dier ging steeds harder lopen. Op een gegeven moment ging hij richting Centraal. Ik vergeet het van mijn leven niet; Acht uur ’s avonds, het is donker buiten en er staan mensen op de trein naar Haarlem te wachten. Dan komt er op eens een paard binnen galopperen zo over het spoor, niet op het perron, nee over het spoor. Die mensen staan op de trein te wachten en in plaats van een trein komt er een paard, met een man of tien er achter aan. Aan de andere kant van het Centraal Station er weer uit en toen had ik hem te pakken. 

Er komt zo’n politieagent met een zaklantaarn en die schijnt zo op z’n hoofd. Meteen geeft hij die agent een schop en rent in de richting van de Haarlemmerweg. Daar krijg je een afbuiging van het spoor naar dat industrieterrein, daar ging hij heen. Na een tijdje hadden we hem weer en bonden hem vast aan een boom. Nadat we gebeld hadden is er een vrachtwagen gekomen. Toen wilde de politie hem nog doodschieten maar dat konden we voorkomen. Het paard werd opgeladen en terug naar de Veelaan  gebracht en op stal gezet. De volgende morgen vonden we hem dood. Groot stuk in de telegraaf: Slachtpaard vecht voor z’n vrijheid. Ik denk dat we er toen wel honderd konden verkopen. Allemaal mensen die het zielig vonden, nou, voor hem tien anderen.

IV
Als ik een advertentie zet, zielig Arabiertje te koop, dan heb ik zo een heel stel klanten.

Wij hadden ook een groothandel  in paardenvlees bij het abattoir in Amsterdam.  Ik heb vijftien jaar als grossier gewerkt. Ik weet nu hoe het zit met de lasagne en de Zweedse balletjes. Ze denken dat ze het wiel hebben uitgevonden maar wij deden dat toen al. Het is zo oud als de weg naar Rome.

Waar wordt paardenvlees gegeten? Over het algemeen waar mensen hard moeten werken. In havens, mijngebieden en dergelijke. Daar deed paardenvlees het goed, want het was goedkoper. En jij eet veel meer paardenvlees dan je denkt. De Mora was jaren klant van mij en bij de Chinees zit het in de bami en de nasi. Frankrijk is een groot paardenvleesland. Vooral tussen Parijs en Lille, dat is een mijnstreek. Paardenvlees staat nog steeds op de kaart in Frankrijk.