U-BAHN BERLIN

Het metronetwerk van Berlijn (Untergrundbahn = U-Bahn) heeft tien lijnen en telt meer dan 170 stations. Veel van deze tunnelstations zijn betegeld, ieder station in een eigen karakteristieke kleur. De meeste monogroom, andere met een meer of minder ingewikkeld patroon, enkele veelkleurig. Daarnaast hebben ze een grote variatie in tegelvorm, vierkant, rechthoekig, langwerpig, in kleinere of grotere formaten, en op verschillende manieren verwerkt in tegeltableaus, bijvoorbeeld liggend of staand. Tijdens een rit van station naar station rijd je zo van tegeltableau naar tegeltableau, een grote tentoonstelling – als je het wilt zien ten minste.

Dat nu is precies wat Ruurd Bakker jaren geleden zag toen hij zich door de ondergrondse van Berlijn liet vervoeren, een gigantische tentoonstelling van moderne schilderijen. Want hoe eenvoudig of ingewikkeld ook, altijd zijn de tableaus terug te voeren op een patroon van horizontale, diagonalen en verticalen. En daarmee raken ze aan een van de formele motieven van de moderne, abstracte schilderkunst sinds o.a. Mondriaan: het raster – met één verschil. Het raster is in principe betekenisloos, zonder narratief; het station is bij uitstek literair en temporeel, punt waar men langs gevoerd wordt, vandaan vertrekt of aankomt. Een verhaal, kortom.

Zo bezien combineren de U-Bahn-schilderijen het abstracte, betekenisloze motief van het raster (lijn en vlak) met een narratief, dat van het station, een realistisch onderwerp. Op die manier beweegt de voorstelling op de U-Bahn-schilderijen zich tussen abstractie en realisme, is het ene schilderij meer abstract, het andere meer realistisch, is het een meer tableau, het ander meer station, maar meestal zijn ze iets daar tussen in.

Ruurd Bakker (1949) volgde de opleiding Beeldende Vorming aan de Kunstacademie in Arnhem (1971-1976). Sinds 2016 schildert hij Berlijnse U-Bahn- en S-Bahnstations (de laatste de bovengrondse Stadtbahn), inmiddels meer dan 700 schilderijen, het overgrote deel in klein formaat (tot 40 cm). De schilderijen zijn gemaakt naar of samengesteld uit foto’s op het internet gevonden, veelal in de Wikipedia of Wikimedia (waar ieder station een eigen pagina heeft) of andere meer gespecialiseerde websites. Wat de schilderijen onderscheidt van de foto’s en wat ze tot schilderijen maakt is dat ze zonder detaillering zijn, lichtval noch reflectie en ook geen perspectief hebben (of op z’n hoogst een minimale aanduiding daarvan kennen).

Maar er is meer dat de schilderijen onderscheidt van een foto. Want wat eens een afbeelding op een foto was, wordt als voorstelling in de schilderijen door middel van verf en penseel een kunstwerk. Niet louter omdat ze geschilderd is (dat zou fotorealisme zijn), maar omdat ze de chaotische werkelijkheid van het station die de foto weergeeft tegelijk concentreert en reduceert. Enerzijds concentreert tot geometrische vormen, anderzijds reduceert tot symmetrieen. En dat is beide niet zonder betekenis.

Om met het eerste te beginnen. Dat geometrische figuren (in dit geval vierkant en rechthoek van de tegels) op grond van hun abstracte volmaaktheid een meerwaarde kunnen hebben is een vondst van de vroeg Romantiek. De wijsgerige dichter Novalis wist het al: “Geometrie ist transzententale Zeichenkunst”; sterker: “Reine Mathematiek ist Religion”; en alsof dat nog niet genoeg is: “Zur Mathematiek gelangt man nur ueber eine Theophanie”. Meetkundige figuren zijn eenvoudiger gezegd een manifestatie van een andere, absolute orde. En waar die openbaring in de Romantiek nog gevonden werd in de natuur (het werk van Caspar David Friedrich met zijn complexe geometrische compositieschema’s en – vooral in zijn latere werk – strenge symmetrieen is er het voorbeeld van), daar moet bij gebrek aan natuur die manifestatie tegenwoordig in de stad gezocht worden.

Niet voor niets worden spoorwegstation wel de kathedralen van de moderne tijd genoemd. En dat niet alleen omdat zij formeel gezien imposant zijn, maar net als kerken een belofte inhouden, de belofte van een ‘elders’: een transzententale wereld of gewoon een reisje naar een andere stad. Dat laatste verhoudingsgewijs triviaal misschien, maar daarom niet minder veelbelovend. En waar spoorwegstations doorgaan voor moderne kathedralen daar kunnen metrostations met hetzelfde recht vergeleken worden met door de stad verstrooide kapellen.

En wat de reductie tot symmetrieen betreft. Ook die is niet zonder betekenis. Zo wordt symmetrie als ordeningsprincipe veel toegepast in kerken. Afgezien van een paar, de regel bevestigende uitzonderingen is de compositie van de voorstelling op de schilderijen bijna altijd spiegelbeeldig. Zo niet dan neigt zij daartoe of doet zij een symmetrie vermoeden. Daarbij gaat het om een uiterst simpele symmetrie van de meest eenvoudige meetkundige vormen. Vertrekkend vanuit een bepaald of onbepaald centrum, meestal een zwarte of witte balk, in werkelijkheid het bord met de naam van het station, tegelijk oerknal en gravitatiepunt, kan de voorstelling aan de rand van het schilderij in de breedte, zowel aan de linker- als aan de rechterkant eindeloos worden doorgetrokken in een oneindig imaginaire spiegeling van geometrische figuren.

Deze dubbele beweging, enerzijds de concentratie op door middel van een uitgekiende glaceertechniek geschilderde geometrische vormen en anderzijds een bepaald onbepaalde, want doorlopende compositie maakt deze U- & S-Bahn schilderijen zo aantrekkelijk. Ze trekken je naar ‘elders’, ‘ins Jenseits’, zou Novalis zeggen, terwijl je tegelijkertijd hier en nu naar wat nageschilderde wandtegels staat te kijken. En precies deze dubbelzinnigheid maakt deze schilderijen tot kunstwerken.

Heiko Bron