Online verhalencafé

75 jaar vrede 75 jaar vrijheid

Wat is Vrijheid?

Een vraag die sinds het bezoek van COVID-19 aan ons (vrije) land heel relevant is. Voor het eerst in mijn 26-jarig bestaan op deze aardbol wordt in Nederland met oorlogstaal gesproken. Een situatie waarvan we, of in ieder geval ik dacht, dat het ons niet meer zou overkomen. Het maakt mij ervan bewust dat vrijheid voor de meeste mensen in Nederland iets vanzelfsprekends is. We hebben ons zelf de luxe verschaft om daar maar één keer per jaar over na te hoeven denken. Maar is die vrijheid wel echt zo vanzelfsprekend ? Met de 1.5 meter – samenleving voelt het alsof iets van ons afgepakt is. Het recht op onderwijs, het recht op goede zorg, bewegingsvrijheid? In korte tijd is de toekomst en het leven onzeker geworden. Wat vanzelfsprekend leek, blijkt toch niet zo vanzelfsprekend te zijn.

Het interessante aan corona is dat hierdoor niet alleen de betekenis van vrijheid bevraagd wordt, maar dat het ons ook dwingt na te denken over wat het betekent om je vrij te voelen. Waar  wringt het om verplicht in lockdown te moeten gaan? Bij het nadenken over wat vrijheid in deze tijd voor mij betekent, kwam ook een andere vraag naar boven. Hebben we onszelf als mens – of in iedere geval een bepaalde groep – niet teveel vrijheid toegeëigend?  Ik wilde iets gaan schrijven over dat vrijheid niet individueel is, maar collectief vormgegeven wordt. Alleen begon ik mij toen af te vragen “wat is het collectief”? Zijn dat de mensen in mijn omgeving? De mensen in Nederland ? De hele mensheid? Of tellen ook de dieren, planten, bomen en al het andere wat op aarde leeft mee? Wie hebben er eigenlijk allemaal recht op vrijheid? Het antwoord op deze vraag heeft gevolgen voor de invulling ervan. Kijk ik naar mijn eigen buurt, dan zag ik op gegeven moment groepen mensen met elkaar samen voetballen. Nu kun je zeggen dat dit eigen verantwoordelijkheid is, maar zo simpel ligt het niet. Het belemmerde ook de veiligheid van andere bewoners die niet meer naar buiten durfden te gaan. Vrijheid is daarom voor mij iets dat je samen creëert; alles wat je doet heeft  consequenties voor de ander. Niet dat we nu netjes maar alle regels moeten volgen. Het gaat mij om het principe dat ik me vrij en veilig kan voelen, doordat anderen ook rekening met mij houden.

Als het collectief betrokken wordt op al het leven op aarde, dan kan het coronavirus gezien worden als een gevolg van het menselijk handelen. We willen altijd meer en hebben in de loop van jaren het leefgebied van dieren steeds meer ingeperkt, waardoor ze steeds dichter op elkaar en op de mens zijn gaan leven. Het inperken van de vrijheid van dieren maakt het overspringen van virussen makkelijker en corona is dan eigenlijk ook een kwestie van vrijheid. Van hoe we met elkaar en de natuur samenleven. Vrijheid is niet onbegrensd

Arnon Grunberg verwoordde het mooi: “we hebben kennis van het verleden nodig om te kunnen weten wie we zijn.” Herdenken en bezinning zijn daarom in deze tijden extra belangrijk. Voor mij zitten we als samenleving al een tijd op een breekpunt waarin we niet alleen moeten bepalen wie we zijn, maar vooral ook wie we willen zijn. De geschiedenis is nooit voltooid en deze tijd biedt ons de kans om te bepalen welk verhaal wij over onszelf willen vertellen.

Een verhaal dat mij onlangs is bijgebleven ging over een man uit de Tweede Wereldoorlog. Ondanks dat deze man niet veel bezat, deelde hij toch zijn eten met vreemden. De reden hiervoor? Door het delen van zijn eten voelde hij meer steun dan door het voor zichzelf te houden. Want door het delen van zijn eten voelde hij zich mens. Ik hoop dat de coronacrisis deze boodschap ook duidelijk maakt. De enige stap vooruit is door onszelf als een “wij” te zien. Vrijheid is daarbij een keuze van hoe je wil leven in relatie tot de ander, tot je omgeving. Vrijheid is geen individueel goed dat je alleen voor jezelf kan opeisen. Vrijheid kan alleen bestaan in gezamenlijkheid en respect voor alles wat leeft.

Kay de Vries

5 mei 2020

75 jaar vrede 75 jaar vrijheid

Vrijheid 75 jaar later

 Ik ben na de tweede wereldoorlog geboren, van de generatie die de verhalen hoorde. Een van die verhalen is me altijd bij gebleven. Mijn familie had een klein hotel dat in het laatste oorlogsjaar door de Duitse bezetter als kwartier was opgeeist. Mijn moeder vertelde dat de kok haar vaak extra eten toespeelde en aardig voor hen was. Hij vertelde op een dag dat hij na de oorlog graag als burger wilde terugkomen, zonder uniform. Die belofte heeft hij gehouden, 2 jaar na de bevrijding kwamhij op bezoek, als mens, als individu met een naam. En mijn moeder begreep het belang en waardeerde dat. Allebei gingen ze daarmee tegen de stroom in.

 75 jaar later hebben we zulke verhalen nog steeds nodig, van mensen die door kleine humane  acties een groot verschil maken. In 2020 zien we dat het nationalisme weer de kop heeft opgestoken, hier in Nederland en elders in de wereld. Zonder gêne worden vooroordelen gebruikt om te veroordelen. Een angst voor de vreemdeling wordt (weer) gevoed om verdeling te zaaien, om mensen tot vijanden te verklaren.

Ieder individu echter, die zich hierdoor niet laat meeslepen maakt het persoonlijke politiek. Samenleven, samen eten en vriendschappen zijn de beste signalen tegen discriminatie, racisme en haat. Tegen de wij-en-zij polarisatie. Vrijheid is de moed om tegen de stroom in je eigen menselijkheid te bewaken.

 Liesbeth van der Hoogte

75 jaar vrede 75 jaar vrijheid

De wasdroger van Loe

Hoera, ik ben van na de tweede wereldoorlog!

Zo simpel ligt het niet in mijn geval. Ik had eigenlijk voor of in de tweede wereldoorlog geboren moeten worden. Onder normale omstandigheden – zonder oorlog – was ik vast en zeker jaren eerder op de wereld gezet en was ik nu rond of over de tachtig geweest. Mijn broer is al in 1937 geboren. Ongeveer twee maanden na het einde van de oorlog ben ik verwekt en ik ben in maart 1946 geboren. Daarmee behoor ik tot de eerste generatie babyboomers.

Stel je voor dat ik een paar jaar eerder was geboren? Ik moet er niet aan denken, maar ik doe het toch! Mijn twee grootvaders en grootmoeders overleden allemaal gedurende de oorlog. Alle vier waren ze rond de 60/65 en ze zijn hoogstwaarschijnlijk gestorven door pure armoede en gebrek aan medische voorzieningen. Ik heb mijn beide grootouders dus nooit gekend. Ik weet helemaal niets over mijn vaders’ ouders. Gezien het feit dat ik een oom had die zelfstandig vuilnisman was, was het waarschijnlijk pure armoede.

Mijn vader en moeder

Mijn ouders trouwden al in 1935 en woonden in de Haagse Schilderswijk, de armste buurt van Den Haag, waar meerdere familieleden woonden. Er was toen een uiterst scherpe scheiding tussen ‘het veen en het zand’ in Den Haag. Het zand was rijk en het veen was arm en dat is nog lang zo gebleven Mijn ouders zijn daar blijven wonen tot ze eind jaren’80 naar een ouderenhuisvesting verhuisden. Ze zijn beiden eind 1994 overleden, twee weken na elkaar.

Mijn moeder heeft mij ooit verteld dat ze eigenlijk klassiek zangeres had willen worden. Uiteindelijk heeft ze haar hele leven als werkster of iets soortgelijks gewerkt. Maar ze was zeker niet dom en hielp bijvoorbeeld een nichtje, die het moeilijk had met lezen en schrijven. Ze hielp ook andere familieleden en buren met de belasting en administratieve problemen. Volgens mij bleef mijn vader zijn hele leven verliefd op haar. Hij bracht elke week (althans na de oorlog) een bos bloemen voor haar mee of het werd gebracht.

Mijn moeder was er een van Simonis, Behalve af en toe een paar palingen voor niks als we op de markt waren, was er niet veel contact met de Simoniskant van de familie, met uitzondering van mijn tante, nichtjes en achternichtjesMijn ome Manus, die altijd naar Enkhuizen ging om vis op te halen, woonde nog dieper in de Schilderswijk in een nog ouder en donkerder bovenhuis. Zijn dochter was een paar jaar jonger dan ik en ze kreeg op haar 16deal een tweeling, zonder dat er een vader in het spel was”. “Jij hebt tenminste een leven” zei ze een keer tegen mij, “ik niet, ik heb geen leven”.

De vis wordt duur betaald of liever gezegd, duur verkocht!

Mijn grootvader van moederszijde had voor de oorlog al een soort caféetje annex viswinkel vlakbij de Haagse Westeinde en was af en toe een paar dagen “onder water”, anders gezegd, hij zoop zich een ongeluk. Mijn drie omes Simonis rookten paling in een donker keldertje vol met rook en zetten dat na de oorlog voort. Ik ben er weleens geweest toen ik een jaar of acht was. Was ik eerder geboren, dan was mijn eerste optie waarschijnlijk geweest om ook paling te verkopen op de Haagse markt. In dat geval was mijn leven heel anders verlopen. Had ik mee kunnen profiteren van de voorspoedige ontwikkeling van de viskramen en de restaurants? Ik betwijfel het, mijn moeder deed dat in ieder geval niet.

Als je voor een dubbeltje geboren bent…

Vanaf mijn elfde hielp ik mijn vader elke dag met zijn krantenwijk. Mijn vader werkte ook overdag bij de Haagsche Courant waar hij vanaf z’n vijftiende in 1923 zijn hele werkzame leven heeft gewerkt. Soms moest ik mij verstoppen omdat ik niet wilde dat bekenden zagen dat ik de krant rondbracht

Later (17/18 jaar oud) hielp ik ook mijn moeder die toen een consumptiekraam in de speeltuin van Dierenpark Wassenaar had. Soms was het gigantisch druk, maar als het regende was het leeg. Een keer liep ik op de vroege avond met een hele volle, zware kruiwagen langs de directeur Louwman, (die ook dure Japanse auto’s verkocht onder de naam Louwman en Parqui). Hij  zat languit in zijn stoel met z’n dikke buik en riep. ‘’daar blijf je slank van!”. Ik riep terug ‘dat moet je ook ‘s proberen’. Hij was woedend en zei ”hoe durf je dat tegen mij te zeggen?. Ik had ook later wel de neiging om recalcitrante opmerkingen te maken, die niet altijd werden gewaardeerd, moet ik eerlijk bekennen.

De oorlog, daar praatte je niet over

Voor zover ik mij kan herinneren hebben mijn ouders praktisch nooit over de oorlog gepraat. Dat deed je kennelijk niet na de oorlog. Ik weet dat mijn moeder tijdens de hongerwinter met een lege kinderwagen richting Haarlem op en neer ging om aardappelen te krijgen. En mijn vader heeft zichzelf opgesloten in een kast boven de suite om de Arbeitseinsatz rond 1943/44 te ontlopen. Ik weet nog dat er tegen het einde van de oorlog op de Haagse Bezuidenhout een soort vergissingsbombardement is geweest van de Engelsen, dat veel mensenlevens heeft gekost. Maar dat is het wel ongeveer.

Niet voor niets komt pas vanaf de late jaren ‘60 de reflectie over de tweede wereldoorlog langzaam op gang Er blijkt dan grote behoefte aan psychiatrische hulp. “Na 30 jaar is er nog steeds die gelatenheid, de onwil en de onmacht om te praten”, schreef Ischa Meijer, die rond die tijd reportages hierover maakte. (zie Ischa Meijer, “Ik heb niets tegen antisemieten, ik leef ervan”). Begin 1973start het Centrum ’45, opgezet als een therapeutische gemeenschap met psychiatrische hulp aan mensen die een oorlogstrauma hadden opgelopen. Ook Loe de Jong begon pas 30 jaar na de oorlog  (van1969 t/m 1994).het veel geprezen, maar ook vaak gekritiseerde 14-delige overzichtswerk te schrijven (‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog)’.

Ondertussen boert mijn familie van moederskant goed

In 1966 een wordt een viswinkel op de Haagse Markthof gestart. Er ontstaan viskramen op diverse andere markten en er komt een Simonis-vestiging aan de Scheveningse haven. Inmiddels is het een heel groot visrestaurant, dat binnen plaats biedt aan honderden mensen. In 2002 volgt een vestiging aan de Scheveningse boulevard. In 2013 wordt een nieuw, ultramodern, stijlvol luxe restaurant geopend aan de tweede binnenhaven dat vooral gaat vooral om service en beleving. Er is in ieder geval een miljardair’, zo niet meer in de familie.

Op weg naar Amsterdam

Als tweede van mijn klas ( de eerste mocht naar de HBS) mocht ik naar de MULO omdat ik ‘slim’ was en haalde dan ook met gemak het diploma. Maar ik wilde meer dus ging ik naar de Haagse avond HBS Noctua met overdag een paar administratieve baantjes. Vanaf ’67 was ik goed op weg om meer journalistiek werk te doen bij een grote Haagse drukkerij-uitgeverij, die ook de Voetbalpool drukte. Zo schreef ik ook voor kleinere tijdschriftjes, krantjes voor drogisten etc., die door de uitgeverij werden uitgegeven. Tijdens een bijeenkomst begin 1969 in Amsterdam vroeg de toenmalige hoofdredacteur van Vrij Nederland Matthieu Smedts of ik een vrouwenrubriek voor Vrij Nederland wilde opzetten en schrijven. Dat wilde ik wel, maar ik deed het niet!

Tegelijkertijd stond ik met mijn vaag lutherse achtergrond ongeveer voor ‘de jeugd in de kerk’ en was ik ook een tijdje voorzitter van de Nederlandse Lutherse Jeugdbond De NLJB werkte ook als een soort huwelijksmarkt, waar ik maar liever buiten bleef. Mijn‘ kostje zou gekocht zijn’, maar ik verlangde naar meer avontuur. En die kwam er in 1969!

Vanaf 1969 veranderde alles.

  • In maart ’69 hoorde ik bij toeval in een Delfts café met een paar andere lutheranen dat je nu in Amsterdam ‘kon studeren hoe je de revolutie moet maken’. Meteen wist ik dat ik dit wilde en heb mij toen snel ingeschreven bij de faculteit andragologie van de UvA
  • Tegelijkertijd werd ik ook gevraagd of ik een paar maanden mee naar Israël wilde gaan met een vriendin en twee jonge kinderen. Dat heb ik ook gedaan.

In Israël werkte ik in verschillende kibboetsen en leerde tegelijkertijd de fijne kneepjes kennen van de lichamelijke liefde.

Het was een tijd vol met studentenstakingen, discussies etc., maar ik floreerde tegelijkertijd. Begin 1973 dook in de faculteit andragologie een nieuw gezicht op, Willem van Soomeren, ex-provo en een jonge, marxistische econoom, die ons het allemaal haarfijn zou uitleggen. Na wat gesprekjes over van alles, zei hij ‘ga je een keer mee varen, ik heb een boot’!. Sindsdien ben ik 26 jaar meegevaren, tot zijn ongelooflijk jonge overlijden op 51-jarige leeftijd in 1998. Een traumatische ervaring voor onze dochter en voor mij!

De boot genaamd ‘De WIM’ heeft nog een paar jaar aan de Borneokade gelegen omdat er toen familie op de Borneolaan woonde. Maar, altijd als ik daar langs loop of fiets, bijvoorbeeld om de Buurtbaliekrant rond te brengen, denk ik nog steeds even aan de goeie oude tijd met de boot.

Willems’ ouders waren zeker ook gedenkwaardig. Frans van Soomeren liep in februari 1941 als een van de eersten het gemeentekantoor uit in wat later de Februaristaking werd genoemd. Jannie(of Jantje) was al voor de oorlog lid van de toenmalige ‘onafhankelijke socialistische partij’. Zij vonden elkaar in 1944, toen beiden bij het gemeentekantoor werkten en bleek dat zij beiden al jaren plekken voor onderduikers regelden en voor valse bonnen zorgden. Zij trouwden direct na de oorlog, in juni 1945. Ze waren actieve medeoprichters van de Pacifistisch Socialistische Partij.De jonge schrijver Geert Mak en de levenslange activiste Saar Boerlage (die ook eigenhandig de Olympische Spelen in Nederland tegenhield), waren in de jaren ’50 kind aan huis.

En toen was het april 2005

Vanuit een verwaterde woongroep in de Johannes Verhulststraat verhuisde ik op 15 april 2005 naar de Entrepothof. Mijn dochter Rosa van Soomeren trouwde op 5 april 2005 met Michiel de Jong, kleinzoon van Loe de Jong. Loe overleed op 15 maart 2005 op negentigjarige leeftijd.

De jonggehuwden hadden al een wasdroger, dus ging de pas aangeschafte wasdroger als erfstuk naar mijn nieuwe woning op de Entrepothof. Het werkt nog steeds!

Truus Ophuysen

 

75 jaar vrede 75 jaar vrijheid

Ik ga op 5 mei een vrijheidsmaaltijd brengen naar mijn schoonmoeder van 87, Franci Stukart.

Zij was een meegesmokkeld Amsterdammertje op Texel en is niet op 5 mei bevrijdt.
Ze zegt nu: Ik zou naar Doorn (BMNO) gaan op 5 mei voor 75 jaar vrijheid, maar ik kan alweer de vrijheid niet vieren. Nu omdat er Corona is en ik het huis niet uit kan.
Over de hongerwinter en de bevrijding schrijft ze het volgende:
 
‘1944- Hongerwinter
Er was al geen brandstof meer en mijn klaslokaal was in een winkeltje in de Hudsonstraat gevestigd. Er was geen schrift meer, of inkt, en het was altijd koud omdat er ook geen kleding meer was. Suikerbieten en bloembollen of in de vuilnisbak op zoek naar eten. Toch had ik mijn potje Oost-Indische inkt en papier altijd bij de hand om te tekenen wat er nog aanwezig was.
Eind 1944 door het verzet naar Texel gestuurd zonder te weten waar ik terecht kwam. We werden vanaf de ruiterkade op de boot gezet. Die nacht werden we beschoten. We kregen eten wat we niet gewend waren en iedereen werd er ziek van. Op Texel aangekomen uren wachten of er iemand zal komen om mij op te halen. Er kwam een boerenkar aan die mij meenam langs de huizen van wie wil dat kind? Ik zag steeds nee schudden want ik zag er zo mager uit dat ze het waarschijnlijk niet aandurfden mij in huis te nemen. Tot ik bij zeer christelijke mensen kwam met een dochtertje, waar ik meer als speeltje fungeerde dan dat ik liefde kreeg. Ze namen mij in de maling en vernederden me.
 
1945
In de nacht van 5 op 6 april opstand der Georgiërs tegen de Duitsers
( ook wel Russenoorlog Texel genoemd)
Mijn pleegouders waren in de nacht vertrokken en hadden mij alleen achtergelaten. Ik kon nergens heen. Boerderijen stonden in brand. Ruim 14 dagen alleen in dat huis, met angst en heimwee naar mijn ouders. Heb daar zeer veel erge dingen meegemaakt, ook aan den lijve, wat ik nog steeds met mij meedraag. Daarna weggevlucht uit dat huis met mitrailleurs achter mij aan naar de pleegouders van mijn broer die ook op Texel was. Ik zat stijf onder de luis en mijn hoofd werd in de petroleum gezet met een kap. Toen heb ik 2 dagen lang geslapen.
5 mei 1945
We hoorden van de boer dat Nederland bevrijd was, maar er was niets van te merken want er werd nog volop geschoten. Dat duurde nog even voort. Ondertussen hoorde je dat er wel 2000 doden gevallen zouden zijn. Duitsers, Russen en Texelaars. De angst bleef.
Augustus 1945
Met de boot naar huis, verzorgd door het Rode Kruis, 12 jaar was ik. Thuis was er haast nog niets te eten, Canadese biskwies en eierpoeder, ik leefde alsof ik niet bestond, alles was wazig…..
September 1945 weer naar school, kon mijn aandacht negens goed bijhouden, 3 jaar mulo, verder niet afgemaakt.’
De tekst komt uit het boekje: Franci Stukart – Leven en werk
Meer informatie over de Russenoorlog op Texel
Anet Wilgenhof

 

 

75 jaar vrede 75 jaar vrijheid

1947

Dit waren de eerste vreemde woorden die ik leerde: Hands Up. Andere woorden uit die tijd waren: Stengun en Bazooka. De stengun – van hout – hield men tegen de borst, brullend van Bratata! De bazooka – een kartonnen koker of een stuk regenpijp – moest over de schouder gedragen worden. Handgranaten hadden we niet. Wel een karabijn.

In die tijd werden er nog handgranaten gevonden door spe- lende kinderen. Het werd ons voorgelezen uit de krant: alweer een kind gedood door een handgranaat. Pas op! Raak ze niet aan! Dan zochten we, op de landjes tussen de huizen, naar handgranaten. We hebben er nooit een gevonden. Dus namen we denneappels.

De karabijn was door mijn broer uit de sloot gevist. Hij moet van een duitse soldaat zijn geweest, die na de capitulatie zijn wapens in de sloot had gegooid. Dat deden ze toen allemaal. Mijn broer ving ook vissen. Maar dit was beter. Alleen – ik kon het ding niet tillen.

Mijn kinderen bestookten elkaar met straalwapens en laser- guns. Toch hielden ze, net als wij, ook de pijl en boog, de speer, en de knuppel in ere.

He is three foot one, and he’s six foot ve He ghts with missiles and with spears.

1964

Ik stond in de keuken van een kraakpand en roerde in de soep. Naast mij stond een amerikaanse jongen, een Vietnam-deser- teur. Hij mompelde: ‘A little bit of garlic wont do no harm’, en gooide drie hele bollen kno ook in de soep. En ik maar roeren om die bollen te laten oplossen, wat niet lukte. Intussen zongen we: ‘He‘s the universal soldier and he really is to blame’………

We wisten het zeker. Wij zouden de wereld redden. Het was heel eenvoudig. Maak het leger leger.
Maar achterin mijn hoofd zei een stemmetje: zonder die universal soldier met zijn stengun en zijn bazooka waren wij destijds van honger omgekomen.

Nu ben ik 75, en ik weet niets meer zeker. Er is alleen een gevoel.
Dankbaarheid.
Voor het wonder van 75 jaar vrede.

Aleida Leeuwenberg

75 jaar vrede 75 jaar vrijheid

Vanwege de Corona crisis gaat het verhalencafé bij Perron Oost online van start.

Hieronder alvast een mooi verhaal van twee mannen die vertellen over wat ze geleerd hebben van de honger in de oorlog. Onderdeel van de tentoonstelling ‘Kolenverhalen in het krijt’ die Tinus Holthuis voor ons maakte in 2014.

Voor het bekijken van het filmpje klik op de volgende link  Kolenverhalen in het krijt

Vrijheidsmaaltijd 5 mei

 

DE GROENE APPELS

Het leven heeft mij veel te vroeg geleerd, dat dingen niet altijd zijn zoals ze lijken van buiten. Ik herinner me het nog als de dag van gisteren. Ik was nog klein, toen mijn opa elke dag een groene appel at. De groene appels, waardoor het leven volgens hem lang en gelukkig zou zijn. Dus ook ik hapte er elke dag wat van. Ik had er niet zoveel verstand van, maar vroeg mij wel af: ‘’waar blijft het geluk dan?’’. De appels van opa waren mijn eerste teleurstelling in het leven. Ze waren verwikkeld in mijn lievelingskleur groen, hadden een frisse geur en van binnen waren ze pijnlijk zuur. Een teleurstelling, omdat ik toen voor het eerst had ontdekt dat de appels van opa niet waren zoals ze er van buiten uitzagen.

Niet heel lang daarna, kregen zulk soort belevenissen op school een naam. De juf noemde het: ‘gezichtsbedrog’; een woord dat ik sindsdien niet zo graag meer mocht. Ik zocht verklaringen voor een groene appel, die niet was zoals het leek en kwam erachter dat die het uit zelfbescherming deed.

Zonder enige logica voor mijn gevoel, zag ik dat het universum zichzelf aan het opeten was. De mensen aten grote dieren, de grote dieren aten kleine dieren en zij aten weer gras. Hoe kon ik met mijn één-meter-lichaam wetten van een universum verbreken, die veel groter was dan mij ? Ik had reusachtige dromen, ze waren zo groot, dat het soms niet meer uitmaakte dat ik 100 centimeter kort was. Dromen, waarmee ik sterren in een plastic zak wilde vangen, om ze uit te delen aan mensen die net als opa groene appels eten. Alleen toen opa op een dag zijn ogen voor altijd dicht deed, onder een appelboom lag en hij er niet meer was, weg bleef en de appels wel bij me bleven, snapte ik er helemaal niks meer van. Ik wilde de wereld trakteren op een glaasje vrede, maar de mensen op de wereld hadden liever een glaasje wodka om hun onvrede te vergeten. Ik wilde echt, maar dan ook echt, de wereld trakteren op vrede. Totdat ik geen antwoorden meer kreeg op mijn gebeden. Totdat de batterijen van mijn vertrouwen zomaar ineens waren verdwenen. Toen mijn fantasieën werden gestolen en mijn dromen net als de groene appels gezichtsbedrog werden genoemd. Toen ik voor het eerst merkte dat het overal donker kon worden, zelfs in mijn eigen slaapkamer. Toen ik te oud werd om lieveheersbeestjes in een jampot te gaan vangen. Toen ik meer kon tellen dan al mijn vingers in totaal. Toen ik sommen delen kon, maar een gemiddelde volwassene geen brood of dak zonder ruzie delen kon.

Mijn volgende les volgde ook al heel snel. Ik leerde dat het vasthouden van een hand soms iets meer betekent, dan het vasthouden van elkaars hand tijdens gym. Dus wil ik liever geen hand meer vasthouden. Als ik niets meer heb om me aan vast te houden, hoef ik me geen zorgen meer te maken over het ‘loslaten’.

Ook leerde ik dat er na zonsopgang zonsondergang komt en niet andersom. Het klinkt misschien vreemd wat ik je nu vertellen zal, want ik weet heel goed dat er na zonsondergang niet meer gesproken kan worden over zonnestralen en toch wil ik je zeggen dat je toen straalde..

Hava Özbas

Hava Özbas, van productiehuis Nowhere in Amsterdam Oost, droeg haar zelfgeschreven tekst DE GROENE APPELS voor op 21 augustus 2016 tijdens de Marathon van het Levenslied in de Kompaszaal. De Marathon van het Levenslied is onderdeel van Festival Perron Oost 2016: SNIKKEN & GRIMLACHJES – Een (hedendaagse) ode aan het levenslied. 

HK0A0006

fotografie: Marten Koldijk

 

Mensch, durf te leven!

Je leeft maar heel kort, maar een enkele keer
En als je straks anders wilt kun je niet meer!

Mensch, durf te leven!
Vraag niet elk minuut van je korte bestaan
Hoe hebben m’n pa en m’n opa gedaan Hoe doet er m’n neef en hoe doet er m’n vrind
En wie weet, hoe of dat nou de wereld weer vindt
En wat heeft het fatsoen voorgeschreven Mensch, durf te leven!
De mensen bepalen de kleur van je das De vorm van je hoed, en de snit van je jas
En van je leven!
Ze wijzen de paadjes waarlangs je moet gaan
En roepen ‘O foei!’ als je even blijft staan Ze kiezen je toekomst, ze kiezen je werk

En zoeken een kroeg voor je uit en een kerk
En wat j’aan de armen moet geven Mensch, durf te leven!

De mensen, ze schrijven je leefregels voor
Ze geven je raad en ze roepen in koor Zoo moet je leven!

Met die mag je omgaan, maar die is te min
Met die moet je trouwen, al heb je geen zin

En daar moet je wonen, dat eischt het fatsoen
En je wordt genegeerd als je ’t anders wil doen

Alsof je iets wreeds had misdreven Mensch, durf te leven!
Het leven is heerlijk, het leven is mooi Maar vlieg uit in de lucht, en kruip niet in een kooi

Mensch, durf te leven!
Je kop in de hoogte, je neus in de wind En lap aan je laars hoe een ander het

vindt
Hou een hart vol van warmte en van liefde in je borst
Maar wees op je vierkante meter een vorst
Wat je zoekt kan geen ander je geven Mensch, durf te leven!

Dirk Witte 1917

Mieke Stemerdink zingt Mensch, durf te leven! op 21 augustus 2016 tijdens de Marathon van het Levenslied in de Kompaszaal. De Marathon van het Levenslied is onderdeel van Festival Perron Oost 2016: SNIKKEN & GRIMLACHJES – Een (hedendaagse) ode aan het levenslied. 

Mieke Stemerdink

De legende van De Hond van Oost

Posted by on Okt 3, 2014 in Blog | 0 comments

De Hond van Oost vind je nu als officiële legende terug in de verhalendatabank van het Meertens Instituut. De voorstelling tijdens Festival Perron Oost 2014 was een groot succes, lees hieronder de inleiding op de voorstelling door Theo Meder:

In legenden zit veel leugen,
In sagen zit veel horen-zeggen.
Een beeld van eeuwen her
Komt tot ons uit de mist van het verleden:
Spoelden vissers aan de Amstel aan
En besloten ze te blijven?
Waren het een bisschop en een Fries?
En waar kwam die hond vandaan?
Wees hij de nieuwe woonstee aan?
We vissen en we gissen
Onze volksverhalen bij elkaar;
De verhalen zijn oud, immers…
Zie de wapens, zie de zegels!
De zegels van een schip, twee mannen en een hond…
Maar stel, ’t is andersom gegaan.
Een kunstenaar of dichter verzint nu
Een sage op basis van een zegel:
Weet hij wel wat hij ziet?
Of mag fantasie er alles van maken?
Dit is de werkelijkheid:
Op de oude zegels is ‘t een kogge,
Een logge, dikke handelsboot met
Heel veel graan en rogge in het ruim.
De handel met de Oostzee,
De Hanze maakte Amsterdam groot.
De ene man draagt zwaard en schild,
Dat is de graaf van Holland.
De ander voert de vlag
Met drie Andreaskruizen;
Die staat symbool voor Amsterdam.
Maar dan die hond, die donderse hond…
Waarvoor stond de hond
In middeleeuwse tijden?
De trouw, de trouw natuurlijk,
Geen dier is zo trouw als een hond.
Het Amsterdamse wapenschild
Heeft heden als devies:
“Heldhaftig, vastberaden, barmhartig”.
Maar bij het oude zegel
Hoort het symbolisch devies:
“Strijdlust, trouw en handelsgeest.”
“Strijdlust, trouw en handelsgeest!”
En dat is het ware verhaal
Van het schip, de mannen en de hond
Op de Amsterdamse zegels…
Althans… zo heb ik het nu bedacht!

Deze diashow vereist JavaScript.

Met Motani op het spoor terug

Posted by on Aug 12, 2014 in Blog | 0 comments

Door Ilona Verhoeven.

Terwijl Sayaka Motani haar spullen pakt om terug te gaan naar Japan, blijft de herinnering aan een serie inspirerende performances die zij deed op het perron. Een terugblik op een kunstproject met een bijzonder Oosters karakter.

Als er iets is dat Museum Perron Oost kenmerkt is het wel de dynamische programmering. Met de betrekkelijk snelle afwisseling en de grote diversiteit van tentoonstellingen en andere activiteiten toont het perron aan de Cruquiusweg zich letterlijk een podium voor experiment. In een prettig vlot tempo worden nieuwe artistieke vormen en mogelijkheden verkend.

Moon en Snake was de titel van het kunstproject van de Japanse kunstenares Sayaka Motani. Een jaar eerder, ze verbleef een tijdje als artist in residence in Amsterdam, kwam ze in gesprek met Anet Wilgenhof. Het plan ontstond om in de zomer van 2014 een reis te maken van Sicilië naar Amsterdam, met als eindpunt Perron Oost. Onderweg zou ze haar indrukken vastleggen met het oog op een artistiek verslag, live voor publiek.

sayaka montani

Bewust en onbewust
Zo deed Sayaka in juli 2014 samen met de jonge muzikant en componist Hideto Uesugi een viertal performances bij Museum Perron Oost. In het perronhuisje richtte ze een tentoonstelling in met foto’s en teksten.

Dat Sayaka Montani bewuste en onbewuste indrukken van alledag in haar kunst verwerkt, bleek ook uit Moon and Snake, wat niet zo zeer een feitelijke verslaglegging, maar eerder een afroming van gedachten, gevoelens en sferen leek te zijn. De performances waren telkens een beetje anders, wat ook precies de bedoeling van Sayaka was.

Poëtische beelden
De eerste avond was er ondersteuning van de projectiekunstenaars van audiovisual bicyle project Volle Band. Op het perron zaten enige tientallen kunstliefhebbers bij elkaar. Het was een merkwaardige avond in Nederland, want de dag nadat in Oekraïne het passagiersvliegtuig van Malaysia Airlines door een raket was beschoten. Niemand had de crash overleefd, Nederlanders waren omgekomen in een oorlog waar ze amper bij stilgestaan hadden. Gedurende de dag was steeds meer doorgedrongen wat de ernst van de situatie was. Na alle verwarrende nieuwsberichten, bracht de performance in de buitenlucht een bijzondere poëtische afwisseling op het gesprek van de dag. Een welkome onverwachte stroom van beeld en geluid, waarvan de toon en sfeer geraffineerd en naïef tegelijk waren.

Beeldenfontein
De Amphitrite beeldenfontein op het KNSM eiland had Sayaka doen denken aan Scylla het zeemonster, wat haar op het idee had gebracht naar Sicilië te gaan. Naar Scilla, waarvan gezegd wordt dat het zeemonster er uit de rotsen tevoorschijn kwam.

Als de armen van het zeemonster haalden Sayaka en Hideto de beschouwers binnen in hun geheel eigen wonderlijke wereld vol poëtische beelden en verstilde teksten. Het publiek kreeg prachtige, wat abstracte beelden en verrassende geluiden voorgeschoteld. Tussendoor presenteerde Sayaka haar teksten. Ze typte ze ter plekke op een typemachine, een spannend tafereel.

Artistieke uitwisseling
Het tikken op de toetsen liep soms gelijk op, en soms juist niet, met de twee metronomen die Roos Breeuwer al meegenomen had voor haar kunstproject een week eerder. Het toonde een spontane manier van artistieke uitwisseling die zich bij Perron Oost vaker manifesteert.

bellen blazen

Improvisatie
Wat zich op het perron voltrok, stond al snel los van de gebeurtenissen van alledag. Op zoek gaan naar ‘onze eigen mythes’, dat had Sayaka zich voorgenomen. Met de trein had ze heel Europa doorgereisd, het spoor teruggevolgd. De performance startte vloeiend, van testmoment naar echt optreden. We have started indeed… And the sky… Floating in the air… Ze deelde bellenblaas uit, zeepbellen vormden zich in de lucht, zweefden vrolijk omhoog, spatten ongemerkt uiteen, nieuwe bellen volgden.

Indrukwekkende installatie
De metronomen tikten, alsof ze samen op tijdreis waren. Midden tussen een indrukwekkende installatie van geluidsapparatuur zat Hideto. Hij werkte behendig met alle knopjes, maar nam net zo makkelijk een speelgoedmondharmonica ter hand. Spelend op een mini-piano, een mondharmonica, ter plekke gemaakte opnames herhalend, begeleidde hij beeld en tekst van Sayaka. Belletjes. Kort geklingel. Raspende geluiden. Papier verscheurde voor een microfoon.
Op het perron zat het publiek ontspannen en nieuwsgierig erbij, genietend van het avontuur voor oor en oog. 

Vloeiend
Via de projector zagen de aanwezigen bewegende beelden, veelal gefilmd vanuit een trein. Velden bijvoorbeeld. Maar ook bomen. Bloemen. Bergen. Wolkenluchten. Dat alles afgewisseld met de Triumph-typemachine die ter plekke teksten tevoorschijn bracht, live vertoond op het grote scherm erboven.
Sayaka typte en las. In het Engels en in het Japans. Hoe lang had het eigenlijk geduurd, de reis, de performance? Haar stem klonk zacht en lieflijk. No beginning… No end... Een brommer racede voorbij, een hond blafte, in de verte floot op een balkon een exotische vogel.

De live geluiden van Amsterdam Oost vermengden zich met de klanken van het artistieke reisverslag. De laatste zon van de avond legde een felle gloed over de platanen op het perron. Het werd stil.
Alleen van hoog boven kwam het gesuis van een vliegtuig. De microfoon ving de adem van Sayaka die zachtjes verder las. Steeds minder woorden, steeds langzamer. It’s just a sequence… Moments…

Tekst en foto’s: Ilona Verhoeven

Hieronder een Japanse muziekvideo met beeld door Sayaka Motani:

Performances op zomers perron

Posted by on Jul 17, 2014 in Blog | 0 comments

Met een performance door Leonie Kuipers startte Museum Perron Oost zondag 13 juli een intrigerende serie live kunstactiviteiten gedurende de zomer.

Alsof er net een geheim ontdekt is, staat midden op de dag een klein gezelschap op het perron aan de Cruquiusweg. Een paar buurtbewoners, toevallige voorbijgangers en kunstenaars turen via het zijraam het perronhuisje binnen. ‘Counter clockwise’ heet de kunstinstallatie die een paar dagen eerder geopend is in Museum Perron Oost, speciaal voor deze plek gemaakt door kunststudent Roos Breeuwer.
Als onderdeel van de installatie nodigde ze danseres, choreograaf en performancekunstenares Leonie Kuipers uit om het idee van nimmer aflatende beweging te verbeelden.

Deze diashow vereist JavaScript.

Metronoom
Als Breeuwer een metronoom heeft opgewonden, verschijnt Kuipers in de voorste kamer. Een precies passend kostuum, een ontwerp door de IJburgse kunstenares Tessel Brühl, zit strak om haar lijf. Ze is goudkleurig geschminkt en kijkt geconcentreerd voor zich uit. Op het tikken van het apparaatje dat een plaats in de vensterbank heeft gekregen, zoekt de danseres telkens nieuwe poses. Arm omhoog, arm richting schouder, kniebuiging, nek omlaag, kin omhoog; met kleine verschillen wisselen diverse houdingen elkaar prachtig af. Tak. Tak. Tak. Tak. De bewegingen onderstrepen de door de kunstenaars gemarkeerde vakjes van de tijd.

Betoverend
Het werkt bijna betoverend op het publiek, dat buiten gefascineerd toekijkt. De nieuwsgierigheid wordt niet alleen veroorzaakt door de mysterieuze dans, maar ook door de projecties die deel uitmaken van de basisopstelling van Breeuwer. Rijen oplichtende witte cijfers rollen vanuit een beamer over het dan weer soepel, dan weer hoekig dansende lichaam.
Op elke tel een andere houding. Het doet denken aan Oosterse vechtkunst. Het zijn alleen de cijfers nul en één die elkaar afwisselen. Alles of niets, vol en leeg, 1 staat tot 0. En de tijd, die tikt verder. De tijd staat nooit stil en wordt gevuld met bewegingen – zo tonen de kunstenaars op het stille zondagse Museumperron.

De tijd
Het ritme dat zich voor de ogen van de kijkers voltrekt doet een beetje tollen, starend golft iedereen mee op het tikken van de metronoom. En toch lijkt de tijd juist stil te staan, wordt het huisje een ding op zichzelf. Een auto die naast het perron optrekt, het is lawaai, maar niemand slaat er acht op. De gekooide Surinaamse zangvogel op een balkon in de verte fluit gewoon verder. De buren aan de overkant trekken nog eens een biertje open en slaan alles van een afstand gade.

Dan nadert een hardloper de plek van de performance en wordt onverwacht onderdeel van het gebeuren. Heel het perron is hij afgerend en ineens, afgeleid door het clubje mensen voor hem, valt hij. Het duurt slechts één tel, want direct staat hij weer op. Een korte vloek, en dan gaat hij in zijn eigen tempo geruisloos verder. Hulp wil hij niet, snel holt hij voort op zijn onderbroken maar verder vloeiende loperslijn.
Hij sprint uit de tijd. Even later verlaat achter hem de staccato vrouw met het gouden gezicht tikkend de ruimte.

Tekst: Ilona Verhoeven

Op woensdag 16 juli om 19.30 uur is er weer een performance als onderdeel van de installatie Counter Clockwise van Roos Breeuwers. Dit keer door Sunghun Kim en Petros Panagiotis Orfanos, tijd: 19.30 uur. De tentoonstelling zelf is nog te zien tot en met 17 juli, openingstijden zaterdag en zondag tussen 11.00 en 13.00 uur en woensdag tussen 14.00 en 16.00 uur.

Bij het volgende kunstproject ‘Moon and Snake’ van de Japanse kunstenares Sayaka Motani staan ook enkele performances op het programma, hierbij treedt zij zelf op en neemt de toeschouwers in een live reisverslag mee van Sicilië naar Perron Oost, op 18 en 19 juli en 26 en 27 juli, telkens om 20.00 uur. Op de 18de en de 27ste met beeldprojecties.

4 Mei: het verhaal van de kolenpikkers

Posted by on Jul 11, 2014 in Blog | 0 comments

Armoede, honger en angst tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er was geen elektriciteit. Winters waren koud. Een kachel die brandde op kolen verwarmde het huis. Het verhaal van Henk Ohm en Jan Mos. Kolenpikkers uit Amsterdam Oost. Elke dag op pad. Op zoek naar kolen en eten.

De Rietlanden. Hier kwamen treinen vol met kolen aan. Elke dag ging Henk na school daarheen om kolen te pikken. Dat was gevaarlijk want je mocht daar niet komen, het was verboden terrein. Bij elke wagon stond een soldaat. Als de soldaten je zagen moest je niet wegrennen want dan schoten ze met hun geweer. Het maakte niet uit of je een kind was. De twaalfjarige Keesje is daar neergeschoten. “Wanneer je werd gepakt sloten ze je op in een wagon. Ik heb weleens gevangen gezeten met vijftig mensen tegen elkaar aan gedrukt.” In een hoekje deden ze hun behoefte. “Je moet toch plassen.” Toch ging hij elke avond op pad om kolen te zoeken. Één keer had Henk dubbel geluk. Een soldaat riep hem na en Henk kon een beetje Duits. Hij moest mee naar een wagon waar een paar vrouwen aan het koken waren. Kreeg hij zuurkool met worst! Daarna mocht hij zijn zakje met kolen pakken en naar huis gaan.

Mensen aten alles omdat er bijna niets was. Op straat zag je de hondenkoppen liggen. Een vriend van Henk ving musjes om op te eten. “Onze kat moest weg want dat scheelde weer eten. Later bleek het dier opgegeten te zijn door de nieuwe eigenaar.” Zijn moeder was woedend. “Wanneer het brood gesneden werd maakten we onze vinger nat en depten zo alle kruimels van tafel. Als je honger hebt doe je gekke dingen.”

Ook bij Jan thuis was niets te eten. Twee sneetjes brood en ’s avonds een kommetje soep. Niemand wist hoe lang de oorlog ging duren en daarom moesten ze zuinig aan doen.

Jan had altijd een zak voor kolen bij zich met een pannetje erin. “Misschien kreeg je wel ergens te eten en dan had ik dat pannetje bij me. Zo kon ik veel meer eten meenemen dan anderen die het in hun broekzakken stopten.”

Jan ging met zijn broertje ook kolen zoeken. Graven tussen de spoorrails. Zo kon je wat kooltjes eruit halen. Dat was best spannend. “Op het spoor werden we een keer beschoten. Ik duwde mijn broertje onder de wagon om hem in veiligheid te brengen. Daarna kroop ik er bij. Schoten. Wel drie keer. We kropen snel verder onder de wagons door, wegwezen daar.” Dat was de enige keer dat er op hem geschoten werd.

In de zomer van 1944 had Jan een baantje. Met een grote kist voorop zijn fiets bezorgde hij bloemen tot laat in de avond. “Soms kreeg ik als dank bonbons, die had ik jaren niet gezien! Ik wist niet meer hoe chocolade smaakte.” Van zijn verdiende geld kon zijn moeder weer een brood kopen. Door de oorlog is Jan zuinig en gooit hij niets weg. De kapjes van het brood, kliekjes, alles wordt opgemaakt.

Tekst: Marloes Fopma n.a.v interviews met Henk Ohm en Jan Mos.




De Koning van de Arabieren

Posted by on Jul 9, 2014 in Blog | 0 comments

Dit verhaal gaat over twee mannen; Robbie en Iwan en over heel veel paarden.

Door Bert Hana

Robbie werd in 1953 in Schellingwoude in Amsterdam-Noord geboren , als telg van een geslacht dat al vier generaties in paarden handelde. Zijn vaders opa, Robijn Pronk deed in 1870 al in paarden. Robbie heeft hem als kleine jongen nog meegemaakt. Mensen kochten in die tijd paarden als werkpaard, denk aan paarden voor de koets, voor de kar van de melkboer en de groenteman en als trekpaard in de landbouw. 

16537_537232693003880_538301433_nNa de oorlog zou de vader van Robbie, die van 1927 was, uitgezonden worden naar Nederlands Indië. Dat is toen niet door gegaan en hij begon met het bezoeken van markten in Duitsland, o.a. in de plaats Hamm. Daar kocht hij paarden en die haalde hij naar Nederland. In Duitsland waren ze goedkoper en misschien ook wel beter. In 1959 is hij naar de Sovjet Unie gegaan. Hij kwam daar via een contact  met een joodse kennis namelijk Norbert Leeuwendorf. Die had connecties  en zo kon hij daar beginnen.

Robbie begon met pony rijden toen hij vier was. Zijn vader verkocht iedere maandag morgen zijn pony. Daar had hij als knulletje veel moeite mee, maar iedere maandag middag was er weer een nieuwe. Hij leerde zo geen binding met de paarden te krijgen. Als je nu een paard van hem zou stelen, zou hij er geen seconde van wakker  liggen. Maar onlangs adopteerde hij wel een lelijk mager hondje uit Spanje. Nou, kom daar niet aan want hij doet je wat.

In de jaren zestig was er in de veemarkthallen iedere maandag een paardenmarkt. Zo’n tweehonderd paarden werden daar verkocht, iedere maandag weer. Die paarden werden gebracht door een gigantisch Russisch schip met elf ruimen. En er was maar één ruim waar paarden in stonden, ongeveer twee honderd. Ze werden geruild tegen Fries stamboekvee;  zwart-bonte koeien. Het was een ruiltransactie. Koeien waren meer waard dan paarden dus er gingen meer paarden heen, dan koeien terug. Op de Borneokade werden ze uitgeladen met behulp van een hijskraan en een kist, waar twee dieren tegelijk in konden. Toen al waren er stallen op de veemarkt. In die stallen konden vier á vijf honderd paarden staan, of koeien. Er was een stalbaas; Dirk Blanken, Rooie Dirk zoals hij genoemd werd. Er moest per paard per nacht betaald worden, dus eigenlijk was het een soort paardenhotel. Na twee jaar is Robbie sr. begonnen met zelf die paarden te kopen en niet meer te ruilen en de Russen kochten dat stamboekvee.

Robbie sr. vond na een tijdje een coaster, de Ubbergen, die met twee etages was omgebouwd voor paarden. Die werd  met een contract van 10 jaar gecharterd, compleet met bemanning, bestaande uit een kapitein(schipper), een stuurman, een kok en drie matrozen en twee man die de paarden verzorgden. Met deze boot konden de paarden zo de kant op lopen.

                                                              
De Borneo-kade was het meest dichtbij gelegen plek waar het schip kon afmeren. De paarden zaten allemaal in aparte boxjes en werden op de kade in vrachtwagens geladen.                                           

Bij de eerste vaart van de Ubbergen naar Rusland werd Robbie door zijn vader meegestuurd, hij was pas elf.

74677_537641629629653_2012593402_nZelf vertelt hij: “Ik had nog nooit zulke hoge golven gezien en werd verschrikkelijk zeeziek. Als je dan bij de Sovjet Unie voor de kust aankwam, bij   Klaipéda in Litouwen ongeveer tien km van het land af, zag je opeens grote zoeklichten van Sovjet schepen. En bij binnenkomst van de haven kreeg je bewapende bewakers bij het schip staan. Er stond een hele hoge muur om de kade heen want ze waren o, zo bang dat je zou weglopen. Ik kan me nog herinneren dat we van boord gingen en in zo’n zeemanskroeg in Klaipéda terecht kwamen.  ’s Nachts  zaten er honden bij de muur om te voorkomen dat je buiten het haventerrein zou belanden”.

Iwan kwam uit een arm boeren gezin. Hij ging niet naar school maar hielp z’n vader in de stallen, zo leerde hij al vroeg paardrijden. Op zijn zestiende ging hij voor de staat werken. In het Rusland van voor de Perestrojka had je Kolchozen, dat waren grote coöperatieve boerderijen met meer dan 200 paarden. Zo’n boerderij had de verplichting om iedere maand drie paarden te leveren. Iwan moest bij de boerderijen langs om de paarden op te halen. Hij voelde zich net een soort rattenvanger van Hamelen. De rij met opgehaalde paarden werd  langer en langer.

Boeren zagen hem niet graag komen. Hij bracht de paarden naar de havenplaats Klaipéda, waar ze ingescheept werden. Het liefst reed hij lange stukken alleen met de paarden. Hij vond het afstaan van de paarden altijd moeilijk. Zijn leven in de Sovjet Unie was zwaar. Hij had weinig te eten en verdiende amper wat met zijn baan als paardenjongen. Hij droomde ervan om mee te reizen met de paarden naar Nederland.

 Iwan vertelt: “Toen ik op een dag bij mijn eigen vader zijn laatste twee paarden moest meenemen knapte er iets in mij. Ik besloot mee te reizen met de paarden. Onze paarden zouden niet geslacht  en opgegeten worden door die gulzige Hollanders. Ik zou mee reizen en in Holland rijk worden en met onze twee paarden terug komen”.

Buiten de stad Klaipéda was een boerderij/verzamelplaats  waar de paarden klaargemaakt werden voor verscheping, iedere week 200.  Dat was de deal die Robbie sr. met de staat had in die tijd. Van die verzamelplaats naar de boot was 15 kilometer.  De paarden werden met kop en staart aan elkaar gebonden in groepen van 40, op het eerste paard zat een ruiter. Later gebeurde dat met vrachtwagentjes. In de haven was een stukje niemandsland wat streng bewaakt werd zodat niemand de Sovjet Unie in of uit kwam. Op torens zaten grote schijnwerpers waarmee de zee en het land om de haven goed in de gaten kon worden gehouden.

74718_537232723003877_1826136145_nII
Door de hoge muur waren de goederen het enige wat het land uitkwam. Iwan die bekend was met de gang van zaken, wist dat de paarden ook wel ‘s nacht geladen werden. Hij wachtte op een gelegenheid om zich tussen de paarden te kunnen verstoppen.                                                                                                                                 

Bij het ophalen had hij ze goed leren kennen en toen op een bepaald moment de staldeur werd geopend was hij aan de buik van een paard gaan hangen en zo, zonder op te vallen, mee het schip in geglipt. Daar verstopte hij zich tussen de  voorraad hooi onderin het ruim. Na een paar uur begon het schip te varen, de Oostzee op vanuit Klaipéda. Er waren flinke golven en Iwan werd behoorlijk zeeziek.  Op het schip werd drie keer per dag warm gegeten. Dus dat begon ‘s morgens met gebakken eieren met spek. Ik weet niet of je wel eens zeeziek bent geweest, maar als je de lucht van eten ruikt, dan moet je al overgeven. Voor Iwan  geen eieren met spek, hij moest het met minder doen en at wortelen uit de voorraad voor de paarden en dronk water.  

Bij Duitsland aangekomen ging het schip het Nord-Ostseekanaal in (in de wandelgangen ook wel het Kieler kanaal genoemd) dwars door Noord-Duitsland. Dat duurde ongeveer acht uur. Iwan had geen idee hoelang de reis zou zijn. Aan de andere kant aangekomen voer het schip via Brunsbüttelkoog de Noordzee op. Dan via de Waddeneilanden naar IJmuiden en door het Noordzeekanaal en over het IJ naar de Borneokade.

In Amsterdam aangekomen moest Iwan iets doen om Robbie en zijn mannen af te leiden. Zonder er bij na te denken zorgde hij ervoor dat een paard te water raakte. Terwijl de mannen alarm sloegen en de politie er bij gehaald werd om het paard te redden liep Iwan rustig de loopplank af, zo Amsterdam in.

Robbie vertelt: “Dat schip heeft 35 jaar zo gevaren. Na het lossen, iedere week, werden de paarden in twee dagen verkocht. Dan werd de stal schoongemaakt,  en gingen we zitten wachten tot het schip weer binnenkwam. 23 keer was dat op een zondagmiddag. Mijn vader had de zondagsrust hoog in het vaandel en als het dan weer eens raak was reed hij vloekend met zijn fiets over de dijk. Op een goed moment was hij het zo zat dat hij het schip twee dagen heeft laten wachten om er voor te zorgen dat hij niet meer op zondag zou komen. Maar na een storm kwam hij toch weer op een zondag. Wij woonde op de Schellingwouderdijk. Wij keken zo over de voetbalvelden op het IJ uit. We konden precies zien als het schip aan kwam varen. De kapitein wist waar we woonden, hij hing dan aan de fluit en dat was voor ons het teken dat we aan het werk moesten.

De paarden werden niet gezien van te voren, ze werden gekocht op contract.   Het waren jaarcontracten van dertig tot veertigduizend. Ze werden geclassificeerd in eerste, tweede en derde klas, al naar gelang de bevleesdheid.  Heel magere werden dus derde klas, middelmaatjes tweede klas en één die heel goed bevleesd was die werd eerste klas. De dieren werden per kilo en per klasse gekocht. Voordat ze aan boord gingen werden ze gewogen. Dus je kreeg een kilo prijs. Zo wist je wat de totale boot kostte aan paarden.     

III                                                                                                                                       
Hoe laat hij ook binnenkwam, of het nu 1 uur ‘s nacht of drie uur ‘s middags was, het schip werd meteen gelost. Na het lossen, vertrok het weer via IJmuiden naar zee en werd daar schoon gemaakt. De paardenpoep ging rechtstreeks overboord, dat kon nog in die tijd. Dan door naar Harlingen om 120 koeien te laden.

150082_123401871053633_1426681_nHet schip lossen was een sensatie op zich.  Wij kregen natuurlijk klanten die als eerste wilden weten wat de lading was, die gingen helpen met lossen. Je wist nooit wat er precies bij zat. De meeste paarden hadden vier benen maar er waren er ook met vijf of zes. Om te weten hoe oud ze waren keek je naar de tanden. Verder keken we of ze gezond waren en niet blind. Dan werd er gedraafd. Als ze kreupel waren of andere mankementen hadden gingen ze rechts af de stal in, dat betekende de slager en linksaf dan stond ze nog een leven te wachten. De verdeling was een beetje fiftyfifty.  

Ik heb toen ik zeventien was en mijn vader anderhalf jaar met een hernia kampte ongeveer  de hele zaak voor hem waargenomen. Alles werd in die tijd cash afgerekend. Ik reed dan met een slordige twee ton in m’n achterzak op m’n brommertje naar de Herengracht om het bij onze bank af te geven. 

Bij het lossen aan de Borneokade is er om één of andere duistere reden ooit een paard te water geraakt. Dat zwemt het IJ op. Wij met bootjes er achter aan. Ze kunnen behoorlijk hard zwemmen dus dat roeien viel niet mee.  Uiteindelijk hadden we hem in een hoek bij de Borneokade, daar loopt het dood. Bij het treintalud kreeg hij vaste grond onder de voeten en klom op het droge. De brandweer en de politie kwamen erbij en wij wilden hem pakken maar dat mocht niet van de brandweercommandant. Hij moest zogenaamd even tot rust komen, maar dat heeft die man geweten. Dat beest nam de kuierlatten het spoor op. Daar ging ie over de spoordijk, tussen Centraal en Muiderpoort mét treinverkeer. Toen heeft een hele avond het treinverkeer plat gelegen. Wij er achter aan om hem te pakken en de politie op hem schieten in de Indische buurt. Maar met die blaffertjes schiet je geen paard dood. Het dier ging steeds harder lopen. Op een gegeven moment ging hij richting Centraal. Ik vergeet het van mijn leven niet; Acht uur ’s avonds, het is donker buiten en er staan mensen op de trein naar Haarlem te wachten. Dan komt er op eens een paard binnen galopperen zo over het spoor, niet op het perron, nee over het spoor. Die mensen staan op de trein te wachten en in plaats van een trein komt er een paard, met een man of tien er achter aan. Aan de andere kant van het Centraal Station er weer uit en toen had ik hem te pakken. 

Er komt zo’n politieagent met een zaklantaarn en die schijnt zo op z’n hoofd. Meteen geeft hij die agent een schop en rent in de richting van de Haarlemmerweg. Daar krijg je een afbuiging van het spoor naar dat industrieterrein, daar ging hij heen. Na een tijdje hadden we hem weer en bonden hem vast aan een boom. Nadat we gebeld hadden is er een vrachtwagen gekomen. Toen wilde de politie hem nog doodschieten maar dat konden we voorkomen. Het paard werd opgeladen en terug naar de Veelaan  gebracht en op stal gezet. De volgende morgen vonden we hem dood. Groot stuk in de telegraaf: Slachtpaard vecht voor z’n vrijheid. Ik denk dat we er toen wel honderd konden verkopen. Allemaal mensen die het zielig vonden, nou, voor hem tien anderen.

IV
Als ik een advertentie zet, zielig Arabiertje te koop, dan heb ik zo een heel stel klanten.

Wij hadden ook een groothandel  in paardenvlees bij het abattoir in Amsterdam.  Ik heb vijftien jaar als grossier gewerkt. Ik weet nu hoe het zit met de lasagne en de Zweedse balletjes. Ze denken dat ze het wiel hebben uitgevonden maar wij deden dat toen al. Het is zo oud als de weg naar Rome.

Waar wordt paardenvlees gegeten? Over het algemeen waar mensen hard moeten werken. In havens, mijngebieden en dergelijke. Daar deed paardenvlees het goed, want het was goedkoper. En jij eet veel meer paardenvlees dan je denkt. De Mora was jaren klant van mij en bij de Chinees zit het in de bami en de nasi. Frankrijk is een groot paardenvleesland. Vooral tussen Parijs en Lille, dat is een mijnstreek. Paardenvlees staat nog steeds op de kaart in Frankrijk. 

Vrijheidsmaaltijd in Oost groot succes

Posted by on Mei 7, 2014 in Blog | 0 comments

Ter gelegenheid van Bevrijdingsdag konden op 5 mei overal in de stad Amsterdammers samen eten. Ook Museum Perron Oost en het Persmuseum organiseerden een Vrijheidsmaaltijd. Aan lange tafels in de zon vierden, onder genot van lekker eten en mooie muziek, buurtbewoners de vrijheid. 

door Ilona Verhoeven

Nee, een kooltje oppakken, dat doet hij niet meer. Ook niet even voor de foto. „Die heb ik genoeg in handen gehad”, zegt Jan Mos met een onvervalst Amsterdams accent. Als jonge vent heeft hij om te overleven in de oorlog briketten en kolengruis van de grond gepikt.
Bijna zeventig jaar na de Tweede Wereldoorlog is hij, ongeveer op dezelfde plek als toen, op de 5de mei 2014 aangeschoven voor de Vrijheidsmaaltijd in het Oostelijk Havengebied. Een grote groep mensen heeft zich verzameld rond het kleine Museum Perron Oost dat samen met zijn grotere buurtbroer het Persmuseum het initiatief nam in Oost mee te doen aan het landelijke evenement.

Volgeboekt
Buren aan biertafels, het is op zich al een vrolijk concept en bij de meesten zit de stemming er dan ook al meteen goed in. De Bevrijdingsmaaltijd in Oost straalt direct iets heel feestelijks uit, wat natuurlijk prachtig past bij het overkoepelende Bevrijdingsdagmotto van ‚herdenken en vieren’. Niet minder dan 125 aanmeldingen waren er voor de maaltijd verzorgd door cateraar Flex Food Solutions, gevestigd aan de naastgelegen Veemarkt. Uiteindelijk kwamen er zelfs nog een paar mensen extra. „Ik was te laat met aanmelden”, vertelt Birgit Wajon, die in het tegenover het perron gelegen witte flatcomplex woont. „Vanochtend heb ik nog gebeld, het was volgeboekt, maar misschien kon het nog. Toen het om zes uur nog niet duidelijk was of er afmeldingen waren, wilde ik het toch wel weten, anders was ik zelf gaan koken.” Dat hoefde niet. Ondanks de drukte prikt ze samen met haar tienerdochter Mikk gewoon een vorkje mee.

Superplek
Rond kwart over zes is er veel reuring op het perron aan de Cruquiusweg. Aan de overkant zitten nog enkele buurtbewoners demonstratief thuis, maar zij vieren het ook een beetje mee, want hebben op het balkon de tafel gedekt. Ze vinden het zelfs een fotootje waard: al die mensen aan al die tafels op een plek die normaal eigenlijk alleen aan wandelaars met honden voorbehouden is.
Birgit Wajon geniet ondertussen van de avond, samen met de buren aan het diner. „Dit is een superplek, zo tussen de bomen.” Grote schalen met ouderwets lekker runderstoofvlees gaan dankbaar rond. Ook van de bijpassende groente pastinaak, wortel en ui met gort wordt gesmuld. Het doet Wajon aan haar moeder denken die als 16-jarig meisje een jaar lang een dagboek bijhield. „Ze heeft net na de oorlog van alles opgeschreven over de voedselpakketten, ze hield precies bij wat erin zat.”

Vrijheidsmaaltijd 5 mei

Zuid-Europees
Er wordt gegeten, gepraat en geproost – op de vrijheid. En er is ruimte voor kennismaking met buren en Amsterdammers die wat verder wonen dan direct naast de deur. „Het heeft iets Zuid-Europees, ik moest net denken aan een film van Fellini, met van die lange tafels aan het strand”, vindt Hans die zijn dochter Aline („eigenlijk woon ik in West”) uitgenodigd heeft mee te eten. Aline is erg te spreken over het buurt- en bevrijdingsfeestje. „Überhaupt dat ik iets aan 5 mei doe, heel bijzonder allemaal.” Haar vader knikt instemmend. „Dit soort activiteiten kunnen bijdragen aan het saamhorigheidsgevoel”.

Verbindingen
Eenzelfde mening is Meta de Vries aangedaan. „Zo’n evenement als vandaag sluit aan bij waar ik al een paar jaar mee bezig ben in deze buurt. Het maken van verbindingen. Dat de mensen uit de huizen komen, dat je elkaar kent. Het was sowieso een droom van een aantal bewoners om op deze manier samen te eten. Je ziet: het lééft. En het is natuurlijk een idioot idee dat hier ooit in de oorlog kooltjes gepikt werden. Een groot contrast met wat er nu gebeurt.”

Gesprekken
Naarmate de tijd vordert, komen de tongen los – ja, ook een klein beetje onder invloed van de wijn, die in flessen te koop is en gezellig gedeeld kan worden. Maar, verrassend of niet, veel gesprekken gaan ook daadwerkelijk en spontaan over de oorlog, over herinneren en wat vrijheid betekent. Jorie Wieriks van Stichting Schoolbuurtwerk vertelt over wat er op 7 mei, dus na de capitulatie, nog gebeurde in de Amsterdamse binnenstad. Over het schietincident van de Dam, waarbij ook nog tientallen mensen het leven lieten. De aanwezigen aan de tafel hebben er allemaal wel eens van gehoord, maar hoe het ook weer zat? Wieriks organiseert, naast vele andere activiteiten, elk jaar met een groep leerlingen van meerdere scholen op de laatste vrijdag van april een officiële herdenking bij het Victoriahotel. Aanschouwelijk onderwijs noemt ze dat, en ze is vast van plan ook het ‚kooltjesverhaal’ volgend jaar in haar pakket op te nemen.

Muziek
Terwijl de vorken en messen op de borden tikken, geven Jacob Plooij, Marieke de Bruijn en Eilidh Martin van het Vondelkwartet (dit keer als trio, de altviolist kon er niet bij zijn) een concert. „Muziek begint waar woorden eindigen”, stelt violiste de Bruijn. „Bach is bijna een universeel gegeven”, licht ze de muziekkeus toe. „Het is klassiek, in de zin van tijdloos”, vult haar collega Eilidh haar aan.
Het zijn melodieën die ook in de Tweede Wereldoorlog gespeeld en geluisterd werden. De Bruijn: „Ik weet dat er mensen zijn voor wie muziek in die tijd heel veel betekend heeft, het was een houvast. In de kampen, maar ook voor onderduikers is het van onschatbare waarde geweest. Als je niks meer hebt, alles kwijt geraakt bent, dan is er nog altijd muziek, in je hoofd.” Een mooie rol die ook tijdens de Vrijheidsmaaltijd van pas komt: als er even niets te zeggen is, klinkt er iets onzegbaar moois over het perron.

Tentoonstellingen
Na het eten is het druk in het perronhuisje bij de tentoonstelling ‚Kolenverhalen in het Krijt’ in Museum Perron Oost, waar de persoonlijke kolenverhalen van Jan Mos en Henk Ohm centraal staan. De meesten maken ook hun gang naar het Persmuseum waar de speciale mini-expositie ‘De Rietlanden in WO2, het persoonlijke relaas van Wim Sels‘ te bekijken is. Sels werkte in de oorlog bij de spoorwegen, ook voor hem was overleven het belangrijkst. Voor de gelegenheid heeft het museum aan de hand van originele documenten zijn aangrijpende verhaal in beeld gebracht.

Vrijheidsmaaltijd 5 mei

Samen zingen
Bij het natafelen wordt er door een kleine groep zachtjes gezongen. Birgit Wajons dochter Mikk Giesbergen is de aanstichtster van het spontane zangclubje, door op gevoelige wijze een nummer van Janis Joplin ten gehore te brengen. “Woodstock!” roept een buurman. “All together!”, zingt Mikk. En iedereen zingt mee. Als dat geen vrijheid is.
Birgit is trots op haar dochter en onderstreept nog eens hoe fijn ze het vindt dat ze toch nog aan konden schuiven. „Ik moet eerlijk zeggen; normaal vier ik het helemaal niet zo.” Ondanks dat ze het toch zo belangrijk vindt stil te staan bij 4 en 5 mei. „Het is zo prachtig wat er allemaal kan in Nederland. De vanzelfsprekendheid voor ons, en met name voor de jongeren, dat het altijd vrede is.”

De tentoonstelling ‚Kolenverhalen in het Krijt’ in het perronhuisje van Museum Perron Oost is nog te zien tot 9 mei 2014 aan de Cruquiusweg 11, Amsterdam.

Foto’s: Saskia Kuijl

Burgemeester Van der Laan op bezoek in Museum Perron Oost

Posted by on Jan 12, 2014 in Blog | 0 comments

 

 

Tekst: Ilona Verhoeven

Fotografie: Carien van Leeuwen

‘Dit is voor mij een uitje’
Burgemeester Van der Laan op bezoek in Museum Perron Oost

1513875_274209142727892_767357359_n

Burgemeester Eberhard van der Laan vereerde vrijdag 10 januari Museum Perron Oost met een officieel bezoek. Nadat hij de tentoonstelling had bekeken, ontstond een inspirerend gesprek met buurtbewoners en kunstenaars. Een verslag van een bijzondere bijeenkomst.

Dat het niet zo groot was, had hij wel vermoed, de bijnaam ‘kleinste museum ter wereld’ doet ook niets anders verwachten, maar je ziet hem denken: klein. Burgemeester Eberhard van der Laan is duidelijk blij verrast als hij aankomt bij Museum Perron Oost. “Niet zo’n lange rijen als bij het Rijksmuseum”, grapt hij meteen. Artistiek leider van het museum Anet Wilgenhof zorgt voor een gastvrije ontvangst en biedt een rondleiding aan. ‘U bedoelt ín het museum?’ reageert Van der Laan vrolijk, die vervolgens nieuwsgierig het perronhuisje binnenstapt.

Binnen wacht hem een enthousiast verhaal door Piet van de Kar, maker van de actuele tentoonstelling De maaltijd met Socrates. “Zo heb ik de oude Griekse filosoof nog nooit gezien”, meent Van der Laan na de uitleg dat een kunstig gemaakte horzel op de hoek van de een gedekte tafel, staat voor Socrates. De gigantische vlieg met vleugels van gaas en een lichaam opgebouwd uit bestek en keukengerei – onder zijn buik hangt een kaasschaaf en uit zijn rug steekt een afgedankte blikopener – houdt de burgemeester meteen alert. Aandachtig kijkt hij rond in de kleine ruimte die verwijst naar interactieve gespreksvormen en het elkaar blijven bevragen, zoals Socrates ook deed. Anet Wilgenhof heeft het afgelopen jaar al heel wat mensen het museum persoonlijk zien ontdekken. Creativiteit en ontmoeting via kunst en cultuur heeft ze hoog in het vaandel staan. “Iedereen uit de buurt associeert op zijn eigen manier, en dat is ook de bedoeling, dat is juist het leuke hier.”

Verhalen
Het eerste jaar Museum Perron Oost is net volbracht. De ruimte mag dan wel beperkt zijn, het perronhuisje is vertrekpunt voor een enorme hoeveelheid activtiteiten, en met succes. Goedkeurend komt de burgemeester ruim een kwartier later naar buiten. Een cd met de radioprogramma’s van ‘Joost in Oost’ zit in een speciaal pakket dat hij aangeboden krijgt. Vervolgens luistert hij naar verhalen over wat zich al allemaal heeft afgespeeld in en rondom het museum: een dansvoorstelling, festivals, theaterperformances en natuurlijk de tentoonstellingen, waaronder diverse presentaties over dieren in Amsterdam, zoals het project over honden en hun baasjes. “Dit is het Lange Voorhout van Amsterdam”, vult Van der Laan aan als hij hoort dat het perron een favoriete plek is om te flaneren en veel wandelaars tot de bezoekers kan rekenen.

Ideeën uitwisselen
Dan zegt de burgemeester, met een kwinkslag, dat er één foutje is gemaakt, namelijk dat het bezoek in januari is gepland in plaats van in de zomer. Als niet alleen hij maar ook alle anderen het ondanks het milde weer toch nog aardig koud gekregen hebben, komt het tot een verrassingsbezoek aan het naburige Persmuseum. De spontaan gevonden schuilplaats voor de afkoelende burgervader en zijn gevolg blijkt een prima plek voor een echt Socratisch gesprek. De stemming in het Persmuseum is bijzonder geanimeerd. ‘Dit is voor mij een uitje’, stelt Van der Laan, waarna hij zeker nog een uur de tijd neemt en er gezamenlijk ideeën worden uitgewisseld over de stand van zaken in Amsterdam op het gebied van cultuur, stedelijke ontwikkeling en over de artistieke en sociale rol die kunstenaars kunnen vervullen.

 

Amsterdam de haven in 1925

Posted by on Feb 23, 2013 in Blog, Haven | 0 comments


 

Historisch filmmateriaal van de Amsterdamse Haven uit 1925 met unieke luchtopnames van het ij. Het is de eerste promotiefilm die de gemeente Amsterdam liet maken, om te vertonen op een internationaal handelscongres in Wenen. Filmmateriaal op het spoor gekomen door Arnold Korporaal
Samenstelling en montage Ruben Gischler

Historical film footage of the port of Amsterdam made in 1925
Compilation of the very first promotion film made for the municpality of Amsterdam in 1925. original length ± 90 min.